-A +A

aansprakelijkheid onderwijzers

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

aansprakelijkheid van leerkrachten en onderwijsinstellingen

 

rechtsleer: de aansprakelijkheid van ouders en onderwijzers in dossiers tijdschrift van de vrede en de politie rechters 2007

uittreksel uit het burgerlijk wetboek:

Art. 1384
Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.
[De vader en de moeder zijn aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen.]
De meesters en zij die anderen aanstellen, voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.
De onderwijzers en de ambachtslieden, voor de schade door hun leerlingen en leerjongens veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan.
De hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders, onderwijzers en ambachtslieden bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten.
 

Welke onderwijzers:

- louter onderwijs in schoolverband;

- naschools onderwijs, muzieklessen, tekenlessen, artistieke lessen, zedelijke lessen, godsdienstonderricht, technische lessen, kortom elke georganiseerde kennisoverdracht (Cass., 3 december 1986, R.W., 1987-88, 54; J.T., 1987, 196; Pas., 1987, I, 410; Arr. Cass., 1986-87, 442).

- opvoeders en toezichthouders van onder meer mentaal gehandicapten en van door de Jeugdrechtbank geplaatste minderjarigen, jeugdleiders, stagemeesters, sportmonitoren. Toch is er rechtspraak die de aansprakelijkheid van de jeugdleiders en opvoeders van gehandicapten verwerpt dan wel aan strikte voorwaarden koppelt (zie de aansprakelijkheid van ouders en onderwijzers, dossiers tijdschrift van vrede en politierechters, 2007, pagina 41)
 

Vermoeden en bevrijdingsgrond:

Artikel 1384, lid 4 B.W. legt een vermoeden van aansprakelijkheid ten laste van de onderwijzers voor de schade door hun leerlingen veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan. Door de bepaling van artikel 1384, lid 5 B.W. houdt elke aansprakelijkheid op indien de aansprakelijke persoon bewijst dat hij de daad die tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft niet heeft kunnen beletten. Het vermoeden van aansprakelijkheid berust aldus op een persoonlijke fout van de onderwijzer en kan enkel door het tegenbewijs van die fout worden omgekeerd.


Art. 1384, vierde lid stelt een vermoeden in van aansprakelijkheid lastens het onderwijzend personeel voor de schade die de leerlingen veroorzaken tijdens de tijd dat deze onder hun toezicht staan. Het vijfde lid van die bepaling voorziet echter dat die aansprakelijkheid ophoudt, indien ze de daad die tot hun aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten. Het vermoeden berust immers op een persoonlijke fout en dat vermoeden kan omgekeerd worden door het bewijs van het tegendeel, met name het bewijs dat het onderwijzend personeel alles gedaan heeft wat kon verwacht worden om het toezicht uit te oefenen ( Cass. (1e k.) AR C.02.0628.F, 10 oktober 2003).

Impact van de wet van de 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersoon
 

Ingevolge deze wet kunnen leerkrachten, zowel van het vrij onderwijs als van het officieel onderwijs, enkel worden aangesproken voor schade die zij in uitoefening van hun functie aan hun onderwijsinstelling of aan derden te berokkenen, mits lastens hen een opzettelijke fout, een zware fout of een gewoonlijk voorkomende lichte fout kan worden bewezen.

Deze beperking in de aansprakelijkheidsregels van artikel 1384 Burgerlijk Wetboek bestonden reeds voor de werknemers met een contractuele rechtspositie in de privé en in de overheidssector en dit ingevolge artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet. teneinde de begrippen opzettelijke fout, zware fout en gewoonlijk voorkomende lichte fout verder te verduidelijken, kan het derhalve volstaan te verwijzen naar de rechtspraak op basis van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet (zie bijvoorbeeld rechtskundig weekblad 2003-2004 pagina 170-172).

Onderwijsinstellingen van elk net zijn aansprakelijk als aanstellers voor de schade die door hun ondergeschikte leerkrachten in de uitoefening van een functie aan derden wordt berokkend.

 

Rechtspraak:

• Pol. Brussel: 16 december 1998, T. Pol. , 2008,11:

Aansprakelijkheid inrichtende macht na vaststelling dat geknoeid was met aanwezigheidslijsten, een kind dat nadien een auto stal en schade veroorzaakte. Medeverantwoordelijkheid van ouders en risicoaanvaarding van de passagier die in het voertuig plaatsnam.

• Cass. 25 januari 1993. Dat arrest betrof de aansprakelijkheid van de onderwijzer versus de arbeidsovereenkomst. In dat geval maakt het toezicht wel deel uit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de onderwijzer.

• Hof van Beroep te Gent, 1e Kamer – 3 februari 2005, R.W. 2007-2008, 1551

samenvatting

Een leraar is gehouden te waken over de veiligheid van de hem toevertrouwde leerlingen. De leeftijd van de kinderen verhindert deze verplichting niet.

Deze verplichting geldt in het bijzonder wanneer de leerlingen  een technische opleiding volgen waarbij  gebruik wordt gemaakt van gevaarlijke machines.

Een normaal toezicht wordt niet uitgesloten door de omstandigheid dat oudere leerlingen moet worden aangeleerd om zelfstandig te werken. Dit normaal toezicht van de leraar betekent daarom niet dat de leraar permanent aan de zijde van de leerling moet blijven staan, maar wel dat hij de leerling in het oog blijft houden  en nagaat of deze alle veiligheidsvoorschriften naleeft en een oordeelkundig gebruik van de machine maakt.

tekst van het arrest:

I. Antecedenten

Op 15 juni 1999 werd V.A. slachtoffer van een ernstig ongeval. Hij was toen tijdens het schooljaar 1998- 1999 leerling vijfde jaar A2 houtbewerking aan het V.T.I. te Oostende (voor hem was het een bisjaar). Die dag werd hij door zijn praktijkleraar houtbewerking, de h. I.B., samen met een tweetal medeleerlingen belast met de uitvoering van een opdracht die erin bestond een bepaald stuk speeltuig te maken. Hiertoe diende hij een aantal houten planken in te korten en moest hij gebruikmaken van de horizontale paneelzaagmachine die opgesteld stond in de machinekamer. Deze machinekamer bevond zich naast het praktijklokaal waarin de andere leerlingen hun opdrachten moesten uitvoeren. Toen V.A. na de middagpauze omstreeks 13.30 uur zijn opdracht verder wilde afwerken, kwam hij met zijn hand terecht tegen de cirkelzaag van de zaagmachine en verloor hij hierbij zijn duim, wijsvinger, middelvinger en ringvinger van zijn rechterhand. Zijn pink was eveneens zwaar gewond.

Onmiddellijk na het ongeval werd hulp geboden door de in het praktijklokaal aanwezige leraren I.B. en J.C. (die aldaar met een andere klas aanwezig was), alsook door de verantwoordelijke E.H.B.O. van de school en een aantal medeleerlingen, waarna het slachtoffer eerst werd overgebracht naar het vlakbij gelegen Sint-Jozef Ziekenhuis om vervolgens te worden getransporteerd naar het AZ St. Jan te Brugge, waar hij in het gespecialiseerde centrum voor handchirurgie een spoedoperatie onderging.

Onmiddellijk na het ongeval werd door de veiligheidsadviseur van de school, de h. O.D., de betrokken leerkrachten I.B. en J.C. en de technisch adviseur P., een verslag opgesteld nopens de omstandigheden van het ongeval. Hieruit blijkt dat de vermoedelijke oorzaak van het ongeval zou te wijten zijn geweest aan het feit dat V.A. waarschijnlijk een stuk restafval heeft willen wegslaan met de rechterhand, met alle gevolgen vandien. Op het ogenblik van het wegslaan van het stukje hout zou de bescherming van de zaag (de bewuste beschermkap) nog gerust hebben op het andere verzaagde stuk hout. Ook het stootstuk of duwhout was aanwezig bij de machine. Technisch adviseur P. heeft eveneens een aantal foto‘s genomen van de toestand van de zaagmachine na het ongeval. Dit verslag werd twee dagen na het ongeval op 17 juni 1999 verzonden aan het Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, Administratie van de Arbeidsveiligheid te Brugge en het ongeval werd door de technische inspectie niet nader meer onderzocht.

Een zestal maanden na het ongeval op 18 januari 2000 legde V.A. een klacht met burgerlijke partijstelling tegen onbekenden neer voor de onderzoeksrechter te Brugge wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen. Hierop volgde een diepgaand strafonderzoek, waarna de Raadkamer te Brugge in haar beschikking van 22 maart 2001, ingaande op de vordering van de procureur des Konings, oordeelde dat er geen reden was tot vervolging omdat het ten laste gelegde feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert.

Aangezien kennelijk geen minnelijk akkoord kon worden bereikt en de diverse aansprakelijkheden werden betwist, ging V.A. op 28 juni 2002 over tot dagvaarding van de VZW V.T.I. te Oostende in betaling van een provisie van 10.000 euro, vermeerderd met de interesten en in aanstelling van een geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdracht, met als motief dat uitsluitend de school aansprakelijk was voor het ongeval, enerzijds op grond van haar aansprakelijkheid voor een gebrek in de zaagmachine, inzonderheid de beschermkap, die reeds sedert geruime tijd niet meer normaal zou hebben gefunctioneerd (art. 1384, eerste lid, B.W.), anderzijds op grond van een gebrekkig toezicht van de praktijkleraar(s) B. en C. (art. 1384, derde lid, B.W.).

Bij verzoekschrift neergelegd op 21 augustus 2002 kwam de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering in hoedanigheid van gesubrogeerde in de rechten van V.A. (art. 136 Z.I.V.-Wet) vrijwillig in het geding tussen en vorderde op dezelfde rechtsgronden de veroordeling van de school tot betaling van één euro provisie op de door haar betaalde medische kosten, welke vordering zij naderhand in conclusies neergelegd op 17 december 2002 uitbreidde tot een provisionele vergoeding van 24.211,70 euro, minstens 12.227,58 euro, in afwachting van de resultaten van de medische expertise, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 15 juni 1999 en de gerechtelijke interesten.

De school betwistte elke aansprakelijkheid en achtte daarentegen V.A. volledig aansprakelijk voor het ongeval.

De eerste rechter verwierp het gebrek van de zaak als onbewezen, minstens als niet in oorzakelijk verband met het ongeval, maar nam enerzijds een fout van de school aan wegens gebrekkig toezicht (art. 1384, derde lid, B.W.) en anderzijds een eigen fout van het slachtoffer (onvoorzichtheid). Beide fouten achtte hij in causaal verband met het ongeval en verdeelde de aansprakelijkheden als volgt: drie vierden ten laste van de school en één vierde ten laste van het slachtoffer. Hij beval een medische expertise en stelde hierbij dokter P.H. te Varsenare aan als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdracht. De school werd voorts veroordeeld tot betaling van een provisie van 5.000 euro aan V.A. en van één euro aan de Hulpkas Z.I.V. De beslissing omtrent de gedingkosten werd aangehouden.

VZW V.T.I., hierna appellante genoemd, kon zich met deze aansprakelijkheidsverdeling niet verzoenen en tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd op 29 juli 2003. Haar hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende alle aanspraken van zowel V.A. als van de Hulpkas Z.I.V. af te wijzen.

V.A., hierna eerste geïntimeerde genoemd, besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en formuleert in conclusies neergelegd op 29 oktober 2003 een incidenteel beroep ertoe strekkende te zeggen voor recht dat appellante exclusief aansprakelijk is op grond van art. 1384, eerste lid, B.W., minstens op grond van art. 1384, derde lid, B.W. en dat eerste geïntimeerde zelf geen enkele fout in oorzakelijk verband met de schade kan worden verweten. Hij herneemt zijn oorspronkelijke vordering in betaling van een provisie van 10.000 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten en de kosten. Subsidiair biedt hij het bewijs door getuigen aan en nog meer subsidiair stelt hij een aansprakelijkheidsverdeling voor waarbij hijzelf slechts voor 1/10 aansprakelijk zou worden gesteld. In zijn tweede (en laatste) conclusies in beroep neergelegd op 14 september 2004 stelt hij een verdeling 95% (school) en 5% (hemzelf) voor.

De Hulpkas Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, hierna tweede geïntimeerde genoemd, besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en formuleert in haar eerste conclusies neergelegd op 8 december 2003 eveneens een incidenteel beroep zowel m.b.t. de aansprakelijkheidsverdeling als m.b.t. de toegekende provisie en herneemt haar tussenvordering in veroordeling van appellante tot betaling van een provisionele vergoeding van 24.211,70 euro in hoofdsom, subsidiair 12.227,58 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 15 juni 1999 en de gerechtelijke interesten.

Alle partijen hernemen in werkelijkheid hun argumenten zoals uitvoerig uiteengezet in conclusies voor de eerste rechter.

II. Beoordeling

Er zijn drie aansprakelijkheden in betwisting, meer bepaald die van de school, die op twee rechtsgronden gestoeld is, nl. art. 1384, eerste lid, B.W., minstens art. 1384, derde lid, B.W., en die van het slachtoffer zelf (eigen fout).

1. Samen met de eerste rechter en mede op grond van de navolgende overwegingen besluit het Hof dat het beweerde gebrek aan de zaak geenszins afdoende bewezen voorkomt.

Het bewuste zaagtoestel, zijnde een horizontale paneelzaagmachine van het merk Altendorf F 45 werd in 1990 geleverd aan appellante en werd sindsdien aangepast aan de evoluerende technische normen. Een laatste aanpassing vond plaats in mei 1998, amper één jaar vóór het ongeval. Er zijn geen aanwijzingen voorhanden dat de machine niet voldeed aan deze voorschriften.

Eerste geïntimeerde beweert thans dat deze machine een gebrek vertoonde in de zin van art. 1384, eerste lid, B.W.

Er dient hierbij allereerst te worden opgemerkt dat eerste geïntimeerde in zijn twee verklaringen afgelegd tijdens het strafonderzoek dit beweerde gebrek niet steeds op dezelfde wijze beschrijft. In zijn klachtbevestiging op 10 maart 2000 (eerste verklaring) geeft hij eerst een uitleg nopens de werking van de zaagmachine – uitleg die overigens correct is – nl. «De machine werkt met een cirkelzaag. Deze zaag wordt in principe afgeschermd door een veiligheidsklep. Wanneer men dus een stuk hout voor de cirkelzaag aanbrengt moet de veiligheidskap automatisch op het stuk hout drukken zodat men in geen geval met de handen in de buurt van de zaag kan komen. Wanneer het stuk doorgezaagd is moet de veiligheidskap normaal volledig tot op de tafel zakken zodat de cirkelzaag beschermd wordt en men deze in geen geval met de handen kan raken. Dit gebeurt normaal automatisch» en verklaart dan: «Ik moet u echter verklaren dat deze veiligheidsklep bij mijn ongeval in geen geval heeft gewerkt. Ik heb ook geen poging ondernomen om die klep met de handen naar beneden te brengen tot op het stuk hout. Normaal gebeurt dit automatisch. De veiligheidskap bleef boven staan. Ik kan u verklaren dat die veiligheidskap reeds geruime tijd niet meer werkte...» (cursivering door het Hof).

In zijn latere verklaring afgelegd op 23 januari 2001 na confrontatie met de resultaten van het strafonderzoek zegt hij: «Ik kan hierop verklaren dat de arm met veiligheidskap niet goed functioneerde. Normaal gezien moet de veiligheidskap, nadat het te verzagen stuk hout is doorgevoerd terug op het werkblad zakken. Dit gebeurde niet altijd. Soms bleef de veiligheidskap hangen op de hoogte van het verzaagde stuk hout». In deze verklaring is dus geen sprake meer van het feit dat de veiligheidskap «boven» bleef staan, maar enkel van het feit dat de beschermkap tijdens het zagen bovenop het te zagen stuk hout rustte. Uiteraard kan deze situatie gevaarlijk genoemd worden, aangezien tijdens het zagen er aldus een opening aanwezig is, waarvan de hoogte afhankelijk is van de hoogte van het te zagen stuk hout, maar dit maakt de machine noch de beschermkap of veiligheidsarm daarom gebrekkig. Dit betreft integendeel de normale situatie bij het gebruik van de beschermkap, en juist wegens het gebeurlijke gevaar is het gebruik van een duwhout vereist teneinde restafval te verwijderen of kleine stukken hout te verzagen. Dit duwhout verhindert dat men de cirkelzaag zelf kan aanraken. Dit blijkt duidelijk uit de verklaring van de praktijkleraar I.B. alsook uit de veiligheidsinstructies H10-7 m.b.t. het bewuste toestel, waarvan elke leerling, en dus ook eerste geïntimeerde, erkent een exemplaar te hebben ontvangen.

Er dient m.a.w. te worden vastgesteld dat het uiteindelijke gebrek waarop eerste geïntimeerde zich beroept eenvoudigweg geen gebrek is, maar integendeel de normale toestand is waarin de beschermkap zich bevindt tijdens het zagen. Dit sluit een gebrek in de zin van art. 1384, eerste lid, B.W. derhalve uit.

Ook tussen de ondervraagde leerlingen bestaat er onenigheid nopens het al dan niet bestaan van een gebrek. Het is hierbij merkwaardig dat voornamelijk de leerlingen die samen met eerste geïntimeerde de opdracht moesten uitvoeren, alle verklaren dat de beschermkap van de zaagmachine niet goed meer werkte en niet automatisch naar beneden kwam (C.J., J.B., M.B.) terwijl de andere leerlingen (R.A. en De S.D.) een andere en zelfs onderling verschillende uitleg gaven. Volgens R.A. viel de beschermkap niet volledig terug op het werkblad na het zagen (wat te dezen niet relevant is, aangezien het ongeval gebeurde tijdens het zagen) en volgens De S.D. was er helemaal geen defect aan de beschermkap, wat ook door de beide praktijkleraren B. en C. volmondig werd bijgevallen. Noch deze laatsten noch R.A. en De S.D. maken evenwel melding van het feit dat de beschermkap «boven» bleef staan en niet naar beneden kwam, wat eerste geïntimeerde nochtans in zijn aanvankelijke verklaring van 10 maart 2000 beweerde.

Dit «boven» blijven hangen, is ten andere in strijd niet enkel met de latere verklaring van eerste geïntimeerde zelf (zie supra) maar ook met de door de technisch adviseur P. gemaakte foto‘s kort na het ongeval, waarop duidelijk het stuk hout te zien staat met de beschermkap erbovenop (wat tijdens het zagen normaal is). Eerste geïntimeerde betwist wel de bewijskracht van deze foto‘s, omdat deze op eenzijdige wijze werden genomen, maar kan niet negeren dat ook de medeleerlingen De S.D. en M.B. uitdrukkelijk verklaarden dat toen zij het lokaal binnenliepen om de afgezaagde vingers van het slachtoffer te zoeken, deze beschermkap op het te zagen stuk hout rustte, wat nogmaals aangaf niet alleen dat het ongeval tijdens het zagen was gebeurd, maar ook dat de afschermkap functioneerde.

Eerste geïntimeerde blijft staande houden dat hij het gebrek reeds één jaar eerder had gemeld aan de praktijkleraar J.C. Hij is evenwel de enige die zulks verklaart. Geen enkele ondervraagde medeleerling bleek hiervan op de hoogte te zijn en de beide praktijkleraren evenmin. De heer C. spreekt dit zelfs formeel tegen. Het lijkt trouwens onwaarschijnlijk dat, indien de machine reeds sedert ongeveer één jaar met een gebrek behept was geweest, zich in het verleden geen andere incidenten en/of ongevallen zouden hebben voorgedaan.

Eerste geïntimeerde poogt het bewijs van het gebrek te leveren door de noodzaak van de vervanging ervan na het ongeval. Ook dit wordt niet aangetoond. Wel zijn enkel de doorzichtige zijkanten in de maand oktober 1999 vervangen ingevolge normale slijtage door wrijving van het zaagblad tegen de wanden. Dit betreft evenwel een normaal onderhoud en geen herstel van een defect.

Voor zoveel als nodig dient te worden opgemerkt dat, zelfs indien de beschermkap niet steeds automatisch naar beneden kwam, dit geen verband houdt met het ongeval, omdat, zoals hierboven reeds vermeld, de beschermkap op het ogenblik van het ongeval wel degelijk beneden stond en rustte op het te zagen stuk hout. Hoe dan ook kon deze beschermkap nog steeds manueel naar beneden worden gebracht.

De eerste rechter verwierp aldus terecht de aansprakelijkheid van appellante op grond van art. 1384, eerste lid, B.W.

2. Daar het ongeval niet werd veroorzaakt door een defect aan de zaagmachine en/of de beschermkap en de beschermkap wel degelijk beneden stond, kan het niet anders dan dat het ongeval zijn oorzaak vindt in een of andere handeling van het slachtoffer zelf waardoor het met zijn rechterhand in aanraking kwam met de cirkelzaag.

Wanneer de machine op de voorgeschreven wijze wordt gebruikt, is zulks in principe onmogelijk; de machine moet worden bediend met de handen links van het zaagblad, en om kleinere stukken te zagen of restafval en kleine stukjes te verwijderen, dient een duwhout te worden gebruikt, dat aanwezig was (wat ook niet betwist wordt). Het kan dan ook niet anders dan dat eerste geintimeerde een foutieve handeling heeft gesteld, en zoals uit het verslag van de school blijkt, met zijn rechterhand het restafval heeft willen wegslaan of, zoals de h. I.B. het uitlegt, «een afgezaagd stukje hout heeft willen verwijderen van onder de beschermkap en zo met de hand in contact gekomen is met het zaagblad». Dit is een plausibele mogelijkheid en ook hier de meest aanneembare. Zoals hierboven uiteengezet en zoals ook door de h. B. uitgelegd, is het zo dat «hoe dikker het stuk hout (is), hoe hoger de beschermkap verwijderd is van het werkblad en men dus gemakkelijker in contact kan komen met het zaagblad». «Daarom», vervolgt de h. B. «moeten de leerlingen gebruik maken van het duwstuk en is het ook verboden om houtstrippen of kleine stukjes hout van het werkblad te verwijderen met de handen terwijl de machine draait».

Een en ander moet fout gelopen zijn, en dit blijkt ook uit de tweede verklaring van eerste geïntimeerde (van 23 januari 2001), inzonderheid volgende passage: «... Ik had met beide handen, links van het zaagblok, het te verzagen stuk vast. Ik heb echter met mijn rechterhand een stuk resthout verwijderd. U vraagt mij of ik dan geen gebruik heb gemaakt van het hulpstuk om restafval te verwijderen. Neen, omdat dit onmogelijk was. Dit hulpstuk dient enkel om dunne stukjes hout aan te voeren of te verwijderen. Ik was verplicht om het stuk dat ik moest verzagen met de hand te verwijderen van tussen het zaagblad en de geleider, omdat ik anders het risico liep dat dit stuk zou wegspringen. U vraagt mij of het ongeval kan gebeurd zijn bij het verwijderen van zo‘n stuk hout, rechts van het zaagblad. Het zou kunnen, maar ik herinner het mij niet meer. Het laatste wat ik mij herinner is dat ik het te verzagen stuk hout aanvoer en dat ik vervolgens met de rechterhand een stuk hout rechts van het zaagblad vasthield...». Dit wijst erop dat eerste geïntimeerde heeft gehandeld in strijd met de veiligheidsvoorschriften waarvan hij nochtans terdege op de hoogte was; niet enkel wordt bij de aanvang van elk schooljaar aan de leerlingen de nodige uitleg verstrekt over de gebruiks- en veiligheidsvoorschriften van de machines en worden vanaf het vierde jaar alle veiligheidsinstructies aangeleerd, bovendien hangt bij iedere machine een veiligheidskaart met het oog op een veilige werking van de machine. Alle leerlingen ontvangen eveneens een werkplaatsreglement dat ze, na het doornemen ervan, persoonlijk ondertekenen voor ontvangst. Specifiek in het vijfde jaar geeft de h. B. als praktijkleraar houtbewerking bij het begin van het schooljaar gedurende drie uur les over het gebruik van de machines en krijgen de leerlingen ook een cursus machineleer.

Deze foutieve gedraging van eerste geïntimeerde ligt bijgevolg ongetwijfeld aan de basis van het ongeval.

3. Vraag is evenwel in hoeverre eerste geïntimeerde volledig aansprakelijk dient te worden gesteld voor deze foutieve gedraging, dan wel in hoeverre ook appellante een aansprakelijkheid draagt.

Als aansteller is appellante aansprakelijk voor de schade door haar aangestelden veroorzaakt in de bediening, waartoe zij gebezigd zijn (art. 1384, derde lid, B.W.).

Dat appellante de hoedanigheid van aansteller bezit, wordt niet betwist, evenmin als dat er schade aan een derde is berokkend, namelijk V.A., die in de relatie tussen aansteller en aangestelde een derde is. Wel betwist zij dat haar aangestelden en inzonderheid de praktijkleraars B. en C. enige fout hebben begaan. Met fout wordt bedoeld een fout in de zin van art. 1382 B.W., wat vereist dat de aangestelde toerekeningsvatbaar is (wat ter zake vaststaat), dat hij de algemene voorzichtigheidsnorm heeft overtreden en dat de schade voorzienbaar was.

Samen met de eerste rechter is ook dit Hof van oordeel een dergelijke fout te kunnen aannemen in de persoon van de aanwezige praktijkleraars, en van I.B. in het bijzonder als praktijkleraar verantwoordelijk voor het vijfde jaar houtbewerking waarvan het slachtoffer deel uitmaakte.

Op de leraar rust immers de verplichting te waken over de veiligheid van de hem toevertrouwde kinderen, ook al zijn dit al oudere kinderen. Deze verplichting gold in casu des te meer daar deze kinderen een technische opleiding volgden waarbij noodgedwongen gebruik wordt gemaakt van niet steeds ongevaarlijke machines, integendeel.

Ten tijde van de feiten voerde eerste geïntimeerde een opdracht uit die erin bestond balkjes van 6,5 cm op 6,5 cm te zagen op een lengte van 50 à 60 cm. Hiervoor diende hij de bewuste zaagmachine te gebruiken. Deze machine was kennelijk vooraf nagezien door zijn praktijkleraar, de h. B., hetgeen ook gebruikelijk en zelfs vereist was. Een gedeelte van de opdracht was reeds uitgevoerd in de voormiddag; na de middag dienden nog een paar stukken verzaagd te worden.

Er wordt unaniem toegegeven dat eerste geïntimeerde zich bij het uitvoeren van zijn opdracht in de namiddag alleen in het machinelokaal bevond en bijgevolg zonder enige vorm van controle de zaagmachine bediende. De heer B. en de heer C. bevonden zich met hun respectieve klassen (samen ongeveer tien leerlingen) op dat ogenblik in het naastgelegen praktijklokaal. Tussen beide lokalen bevond zich een volle muur met een schuifdeur, die dicht was teneinde het lawaai en het stof afkomstig van de zaagmachine buiten te sluiten. Er was derhalve geen toezicht mogelijk vanuit het praktijklokaal in de machinekamer.

Zowel de directeur als de praktijkleraar rechtvaardigen dit door aan te voeren dat oudere leerlingen (vijfde en zesde jaar) moet aangeleerd worden om zelfstandig te werken, inzonderheid in het licht van de te volgen stages in bedrijven, waar zij ook alleen moeten werken.

In weerwil nochtans van wat appellante moge beweren, blijft het Hof van oordeel dat het aanleren om zelfstandig te werken geenszins een normaal toezicht uitsluit. Het Hof is er zich terdege van bewust dat een dergelijk toezicht niet vereist dat de leraar permanent aan de zijde van de leerling moet blijven staan, wel dat de leraar de leerling in het oog houdt en nagaat of deze alle veiligheidsvoorschriften naleeft en een oordeelkundig gebruik van de machine maakt. Zoals de eerste rechter dit terecht overwoog, zet een dergelijk toezicht de leerling aan om aandachtig te werken en niet vervallen in routineuze handelingen waarbij aan veiligheid vaak wordt ingeboet. Op deze manier kan de leraar de leerling opvolgen en kan hij detecteren wanneer de aandacht verslapt of de leerling te overmoedig met het werktuig omspringt, waarbij hij dan onmiddellijk kan optreden.

De wijze waarop het ongeval zich heeft voorgedaan, bewijst dat een dergelijk toezicht wel degelijk noodzakelijk was, gelet juist op de gevaarlijkheidsgraad van de zaagmachine en de leeftijd van de leerling, waarin onoplettendheid en overmoedig gedrag geen uitzonderingen zijn. Het feit dat de jongen «vertrouwd» was met de machine, sluit deze noodzaak aan toezicht niet uit. Vaak leidt dit zelfs tot meer ondoordacht gedrag. Het Hof vraagt zich af in hoeverre een leerling van het vijfde jaar houtbewerking als «vertrouwd» mag worden beschouwd met de machines waarmee hij moet leren werken, ook al deed hij zijn jaar over.

Niets belette de h. B. dit toezicht uit te oefenen; de opdrachten waarmede zijn andere leerlingen waren belast, meer bepaald gladschuren, montage en afwerking van het speeltuig, hielden geen gevaren in, althans niet in dezelfde mate als de opdracht waarmee eerste geïntimeerde was belast. De heer B. diende beter dan wie ook te weten welke risico‘s aan het gebruik van de zaagmachine verbonden waren. Een afweging van deze risico‘s noopte hem derhalve tot een toezicht in het machinelokaal, wat hij evenwel naliet.

Dit gebrekkig toezicht, dat als een fout van de aangestelde praktijkleraar de h. B. moet worden beschouwd, heeft derhalve eveneens bijgedragen tot de totstandkoming van het ongeval. Het hoeft trouwens geen betoog dat een gebrekkig toezicht het gevaar voor ongevallen verhoogt en de schade bijgevolg redelijkerwijs voorzienbaar was.

Dat appellante zich hiervan ook bewust was en dit naderhand ook zo begrepen heeft, blijkt uit het feit dat zij na het ongeval in de deur en de volle muur een venster heeft geplaatst, zodat vanuit het praktijklokaal steeds toezicht kan worden uitgeoefend op de leerlingen in de machinekamer. Verschillende ondervraagde leerlingen verklaarden trouwens dat er van de zijde van de leraars ook een verhoogd toezicht was.

4. Het staat derhalve vast dat zowel de fout van het slachtoffer als de fout van de school hebben bijgedragen tot het ongeval, derwijze dat indien deze fouten niet waren begaan het ongeval zich niet had voorgedaan op de wijze zoals het zich thans voordeed.

De fout van het slachtoffer heft uiteraard de fout van de aansteller niet op, maar leidt tot een aansprakelijkheidsverdeling. Op dit punt volgt het Hof de door de eerste rechter aangenomen verdeelsleutel, nl. drie vierden in de persoon van appellante en één vierde in de persoon van eerste geïntimeerde. De aansprakelijkheid van appellante is inderdaad als zwaarwegender te beschouwen, omdat haar aangestelden belast zijn met de veiligheid van haar leerlingen en bijgevolg al het nodige moeten doen om deze veiligheid te waarborgen, juist gelet op de leeftijd van de leerlingen en de ermee gepaard gaande uitingen van onvolwassenheid, onzorgvuldigheid, gebrek aan aandacht en vaak onvoldoende kennis niettegenstaande de regelmatig gegeven veiligheidsinstructies.

5. Cijfermatig kende de eerste rechter aan eerste geïntimeerde een provisie toe van 5.000 euro. Weliswaar wordt de oorspronkelijke vordering tot beloop van 10.000 euro provisie hernomen, maar in afwachting van de resultaten van de medische expertise, acht het Hof, mede gelet op de in aanmerking te nemen verdeelsleutel, een verhoging van de toegekende provisie niet wenselijk.

Aan tweede geïntimeerde werd één euro provisie toegekend. Gelet evenwel op de thans voorliggende overtuigingsstukken waaronder de uitgavenstaat, kan thans ook een provisie worden toegekend tot beloop van 5.000 euro.

6. Gelet op de bevolen medische expertise, waartegen door geen van de partijen hoger beroep werd aangetekend, dient de zaak met toepassing van art. 1068, tweede lid, Ger. W. teruggezonden te worden naar de eerste rechter voor verdere afhandeling.

...
 

Rechtsleer: Overzicht rechtspraak Kwalitatieve aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349



 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: do, 16/02/2017 - 14:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.