-A +A

Aansprakelijkheid notaris hernieuwing overschrijving onroerend beslag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

"Art. 1569. Het beslagexploot moet uiterlijk binnen vijftien dagen in het daartoe bestemde register worden overgeschreven op het hypotheekkantoor van de plaats waar de goederen gelegen zijn, voor het gedeelte van de in beslag genomen goederen dat in het arrondissement ligt.

Deze overschrijving geldt slechts voor drie jaar, behalve indien zij wordt vernieuwd; het beslag houdt van rechtswege op enig gevolg te hebben en wordt niet meer vermeld in de hypothecaire getuigschriften, indien de in beslag genomen goederen niet verkocht zijn binnen drie jaar na de overschrijving of na de vernieuwing ervan, en indien de formaliteiten voorgeschreven in artikel 1598, laatste lid, niet vervuld zijn.

De vernieuwing heeft plaats op vertoon, aan de bewaarder, van een in tweevoud opgemaakt en door een advokaat of een gerechtsdeurwaarder ondertekend verzoekschrift dat de te vernieuwen overschrijving nauwkeurig aangeeft, onverminderd de toepassing van artikel 90, 2° lid, van de wet van 16 december 1851, zo daartoe grond bestaat."

Rechtspraak 

• Brussel, 24/02/2015, RW 2016-2017, 1268

Samenvatting

De notaris idie s aangesteld, nadat hij kennis heeft gekregen van zijn opdracht en nadat hij aan (de advocaat van) de schuldeisers heeft bevestigd dat hij het nodige zal doen om de openbare verkoop voor te bereiden en het eigendom te bezichtigen, dit alles terwijl de overschrijving van het onroerend beslag nog niet vervallen is, moet ervoor zorgen dat hij de openbare verkoop kan houden en hiertoe de nodige formaliteiten moet vervullen.

De gedwongen openbare verkoop die de notaris dient te organiseren hangt af van een geldige (niet vervallen) overschrijving van het onroerend beslag en dus in voorkomend geval van de tijdige hernieuwing ervan en het hoort tot de taken van de notaris om alle nodige maatregelen te nemen ter vrijwaring van de rechten van partijen en om zich in het bijzonder ervan te vergewissen dat de overschrijving van het onroerend beslag niet zal vervallen. Minstens dient de notaris in het kader van zijn raadgevings- en informatieplicht (de advocaat van) de schuldeisers erop te wijzen dat zij de overschrijving dienen te laten hernieuwen. Deze verplichting rust op de notaris, ook al dient hij een objectieve onpartijdigheid aan de dag te leggen.

Tekst arrest

L.D. en CVBA Verzekeringen van het Notariaat t/ K.S. e.a.

I. Procedure

1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat

– de drie voor de eerste rechter ingeleide zaken samenvoegt;

– akte verleent aan L.D. en L.S. van hun vrijwillige tussenkomst;

– akte verleent aan huidige geïntimeerden sub 6, 7 en 8 van de hervatting van het geding in de hoedanigheid van rechtsopvolgers van R.S.;

– de vorderingen van consorten S. ontvankelijk en in de hierna volgende mate gegrond verklaart;

– appellanten in solidum veroordeelt tot betaling aan geïntimeerden sub 1, 2, 3, 4 en 5, elk, van 52.500 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 4 september 2006 en met de gerechtelijke interesten;

– appellanten in solidum veroordeelt tot betaling aan geïntimeerden sub 6, 7 en 8, samen, van 52.500 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 4 september 2006 en met de gerechtelijke interesten;

(...).

2. Appellanten vorderen met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ongegrond te verklaren, subsidiair hun vordering in vrijwaring tegen negende en tiende geïntimeerden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg negende en tiende geïntimeerden te veroordelen om hen tot beloop van 90% te vrijwaren voor alle veroordelingen die tegen hen zouden worden uitgesproken.

Zij vragen de incidentele beroepen ongegrond te verklaren en de subsidiaire vordering in vrijwaring of bijdrage in de schuld van negende en tiende geïntimeerden onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

(...)

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van de hogere beroepen.

Eerste geïntimeerde stelt incidenteel beroep in waarbij zij vraagt appellanten alsook negende en tiende geïntimeerden solidair, in solidum, minstens de ene bij gebrek aan de andere te veroordelen tot vergoeding van hun schade zoals gekapitaliseerd tot beloop van 72.296,92 euro, te verhogen met de wettelijke interesten vanaf 4 september 2012.

Tweede en derde geïntimeerden vorderen bij incidenteel beroep 70.254,22 euro van derde geïntimeerde en 70.254,22 euro van tweede geïntimeerde, plus kapitalisatie op datum van 17 april 2014.

Vierde tot achtste geïntimeerden vorderen bij incidenteel beroep ten laste van appellanten, solidair, in solidum of de ene bij gebreke aan de andere, 67.697,87 euro ten voordele van vierde geïntimeerde, 53.388,29 euro ten voordele van vijfde geïntimeerde, 67.697,87 euro ten voordele van zesde, zevende en achtste geïntimeerden in hun hoedanigheid van erfgenamen van de h. R.S. Deze partijen vorderen ten laste van negende en tiende geïntimeerden 70.522,16 euro ten voordele van vierde geïntimeerde, 55.592,50 euro ten voordele van vijfde geïntimeerde en 70.522,16 euro ten voordele van zesde, zevende en achtste geïntimeerden in hun hoedanigheid van erfgenamen van de h. R.S.

4. Negende en tiende geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van alle hogere beroepen in zover tegen hen gericht en tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

Subsidiair besluiten zij tot de verjaring van de vordering van eerste geïntimeerde, voor wat de kapitalisatie betreft, en hernemen zij hun subsidiaire vordering tot bijdrage in de schuld, waarbij zij vragen appellanten te veroordelen om hen te vrijwaren in hoofdsom, interesten en kosten.

...

II. Relevante feitelijke gegevens

7. Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten en van het voorwerp van de vordering in het bestreden vonnis.

8. Wijlen de h. J. S. (overleden op 12 januari 1995) en diens echtgenote, wijlen mevr. G. Van H. (overleden op 6 januari 1995), hebben zeven kinderen achtergelaten; Oswalda, Rufin, Katherina, Brigitte, Daniëlla, Nicolas en Jozef S. Rufin is op 11 oktober 2009 overleden en zijn erfgenamen (geïntimeerden sub 6, 7 en 8) hebben het geding hervat.

Jozef (junior) huwde in 1992 met Roza H. Hij overleed kinderloos op 26 november 1993. Bij eigenhandig testament van 17 juli 1992 heeft hij zijn gehele nalatenschap aan zijn echtgenote Roza H. vermaakt.

9. Roza H. stelde in april 1997 een vordering voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout in tegen de overige consorten S. waarbij zij in haar hoedanigheid van erfgename de betaling van een reeks schuldvorderingen vorderde. Bij tegeneis vorderden de consorten S. 8.328.571 fr. in uitvoering van een bepaalde overeenkomst.

10. Bij vonnis van 3 maart 2000 verklaarde de rechtbank de hoofdvordering van Roza H. ongegrond en de tegenvordering van de consorten S. gegrond. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Roza H. werd bijgevolg veroordeeld tot betaling van 8.328.571 fr., “d.w.z. 1.665.714 fr. aan ieder van de aanleggers op tegeneis, namelijk Oswalda S., Rufin S., Katherina S., Brigitte S. en Nicolas S., te verhogen met de interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 juni 1998 en gekapitaliseerd”. Roza H. werd bovendien veroordeeld tot betaling aan Daniëlla S. van 1.300.000 fr. te verhogen met de interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 17 januari 1995 en gekapitaliseerd.

Bij arrest van 2 mei 2006 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen het vonnis van de Burgerlijke Rechtbank te Turnhout bevestigd. Het arrest stelt vast dat Katherina S. niet is verschenen en niet vertegenwoordigd werd. Het hof besliste “op tegenspraak en in toepassing van art. 750 § 2 Ger.W. t.a.v. (Katherina S.).

11. Het vonnis in eerste aanleg werd bij exploot van 12 april 2000 aan Roza H. betekend. De consorten S., toen bijgestaan en verdedigd door advocaat Luc S., met uitzondering van Katherina S. vanaf de maand mei 2002, hebben beslag gelegd op een onroerend goed van Roza H., zijnde een boerderij, omgevormd in woonhuis en handelshuis, met grond gelegen te (...). De procedure in beslag verliep als volgt:

– voorafgaand bevel van 17 april 2000;

– uitvoerend beslag op 9 oktober 2000;

– overschrijving van het beslag op het eerste hypotheekkantoor te (...) 10 oktober 2000;

– verzoekschrift tot hernieuwing van de overschrijving van het beslag op 4 september 2003 en effectieve overschrijving op deze datum;

– betekening op 22 mei 2006 aan Roza H. van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen met bevel tot betaling van 391.441 euro in hoofdsom, kosten en interesten tot 1 juni 2006, te verhogen met interesten vanaf 2 juni 2006;

– verzoekschrift tot aanstelling van notaris (art. 1580 Ger.W.): 16 juni 2006;

– beschikking houdende aanstelling van notaris D., belast met de openbare verkoop: 23 juni 2006.

Terwijl de verkoop vastgesteld werd en notaris D. al zijn ontwerp van verkoopsvoorwaarden alsook het lastenkohier had opgesteld en een datum (7 december 2006 om 17 u) voor de verkoop had vastgesteld, bleek dat Roza H. haar onroerend goed wist te verkopen aan de partijen Dr.-H. bij akte verleden voor notaris C. op 6 oktober 2006 tegen de prijs van 440.000 euro. De h. Dr. was de zaakvoerder van een BVBA Dr. die sinds het jaar 2000 het pand huurde.

De verkoopakte werd op de dag zelf, 6 oktober 2006, overgeschreven.

Het bleek dat de hernieuwing van de overschrijving van het bedrag op 4 september 2003 niet (binnen de wettelijke termijn van drie jaar) werd aangevraagd, zodat de inschrijvingen of overschrijvingen op het pand vervallen waren.

De (nog op datum van de akte verschuldigde) koopsom werd aan Roza H. betaald vooraleer uitvoerend beslag onder derden in de handen van notaris C. of van de banken gelegd kon worden.

De notaris en de advocaat verweten elkaar niet de nodige initiatieven te hebben genomen om de overschrijving van het uitvoerend beslag te laten hernieuwen.

12. Huidige vordering is gericht tegen de advocaat en de notaris wegens beweerde fouten in de vervulling van hun opdracht.

III. Beoordeling

13. De eerste rechter heeft de aansprakelijkheid wegens het niet-tijdig hernieuwen van de overschrijving van het uitvoerend beslag bij de notaris, eerste appellant, en niet bij de advocaat, tiende geïntimeerde, gelegd. De eerste rechter oordeelde dat de advocaat immers terecht wijst op het feit dat er op hem geen resultaatsverbintenis rustte, vanaf het ogenblik dat hij het nodige had gedaan om een notaris te laten aanstellen. Vanaf het ogenblik dat de notaris was aangesteld en een opdracht had gekregen als gerechtelijk mandataris, was de uitvoering zijn verantwoordelijkheid en diende hij alle maatregelen te nemen die nodig waren voor de uitvoering van zijn opdracht. De notaris beschikte over alle nodige elementen en hij diende o.m. na te gaan of de overschrijving van het beslag desnoods hernieuwd diende te worden.

14. Appellanten betwisten elke aansprakelijkheid wegens het niet-tijdig hernieuwen van de overschrijving van het onroerend beslag.

15. Appellanten beroepen zich op art. 1569, derde lid, Ger.W., dat bepaalt: “De vernieuwing (van de overschrijving) heeft plaats op vertoon, aan de bewaarder, van een in tweevoud opgemaakt en door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder ondertekend verzoekschrift dat de te vernieuwen overschrijving nauwkeurig aangeeft (...)”.

De opgelegde ondertekening van het verzoekschrift tot hernieuwing aan de bewaarder impliceert in geen geval dat een advocaat (of een gerechtsdeurwaarder) de nodige initiatieven dient te nemen om tijdig de vernieuwing aan te vragen. De notaris, die vanaf zijn aanstelling alle nodige taken dient te vervullen om de openbare verkoop te realiseren, kon alleszins een advocaat of een gerechtsdeurwaarder belasten met het (opstellen en) ondertekenen van het verzoekschrift.

Het hof stelt vast dat het verzoekschrift van 4 september 2003 strekkende tot hernieuwing van de overschrijving door een gerechtsdeurwaarder werd ondertekend en ingediend.

16. Uit het dossier blijkt dat eerste appellant alle nodige stukken i.v.m. zijn aanstelling had ontvangen.

Na aanstelling van notaris D. bij beschikking van 23 juni 2006, heeft advocaat S. op 5 juli 2006 aan de notaris kopie bezorgd van de beschikking en hem verzocht het nodige te willen doen. De notaris verklaarde op 10 juli 2006 dat hij het nodige zou doen om de openbare verkoop voor te bereiden en het eigendom te bezichtigen. De advocaat bezorgde aan de notaris, per aangetekende brief van 12 juli 2006, de expeditie van de (niet-betekende) beschikking van 23 juni 2006, het vonnis van 3 maart 2000 en het arrest van 2 mei 2006 houdende veroordeling van Roza H. tot betaling van 8.328.571 fr. alsook een omstandige opgave van alle gerechtskosten.

Deze stukken bevatten alle nodige informatie over de overschrijving van het onroerend beslag. Het verzoekschrift tot aanstelling van notaris met toepassing van art. 1580 Ger.W. vermeldde immers:

“Dat dit uitvoerend onroerend beslag werd overgeschreven op het eerste hypotheekkantoor te (...), op 10 oktober 2000, boek 140, nr. 12.

“Dat dit beslag werd hernieuwd bij verzoekschrift van gerechtsdeurwaarder E., betekend op 4 september 2003 en overgeschreven op het eerste hypotheekkantoor te (...), onder het nr. 76-T-07308.

“Dat verzoekers tevens op 22 mei 2006 via gerechtsdeurwaarder E. het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 2 mei 2006 hebben laten betekenen.

“Dat bij ditzelfde exploot bevel werd gedaan tot betaling.”

Dat de notaris hieruit bijgevolg eenvoudig kon afleiden dat het onroerend beslag voor het laatst werd overgeschreven op het eerste hypotheekkantoor te (...) op 4 september 2003, welke overschrijving “slechts geldt voor drie jaar” (art. 1569, tweede lid Ger.W.).

Eerste appellant heeft de geïntimeerden nooit verzocht bijkomende stukken te bezorgen die hem in staat moesten stellen zijn opdracht te vervullen.

17. Appellanten voeren aan dat de hernieuwing van de overschrijving van een onroerend beslag tot de taken van de schuldeiser zelf behoort en niet tot die van de notaris.

Het hof is van oordeel dat, nadat de notaris is aangesteld, nadat hij kennis heeft gekregen van zijn opdracht en nadat hij aan (de advocaat van) de schuldeisers heeft bevestigd dat hij het nodige zou doen om de openbare verkoop voor te bereiden en het eigendom te bezichtigen, dit alles terwijl de overschrijving van het onroerend beslag nog niet vervallen was, hij ervoor moet zorgen dat hij de openbare verkoop kan houden en hiertoe de nodige formaliteiten moet vervullen.

De gedwongen openbare verkoop die de notaris diende te organiseren hing af van een geldige (niet vervallen) overschrijving van het onroerend beslag en dus in voorkomend geval van de tijdige hernieuwing ervan en het hoorde tot de taken van de notaris om alle nodige maatregelen te nemen ter vrijwaring van de rechten van partijen en om zich in het bijzonder ervan te vergewissen dat de overschrijving van het onroerend beslag niet zou vervallen. Minstens diende de notaris in het kader van zijn raadgevings- en informatieplicht (de advocaat van) de schuldeisers erop te wijzen dat zij de overschrijving dienden te laten hernieuwen. Deze verplichting rustte op de notaris, ook al diende hij een objectieve onpartijdigheid aan de dag te leggen.

Zoals uiteengezet, beschikte de notaris over de nodige informatie wat de overschrijving van het onroerend beslag betreft. Het lichten van een nieuw hypothecair getuigschrift op 8 oktober 2006, dit is wanneer de overschrijving van het onroerend beslag vervallen was, toont te dezen precies aan dat de notaris zich niet zoals het hoorde gekweten heeft van zijn taak.

18. Appellanten voeren aan dat de aansprakelijkheid wegens het niet tijdig hernieuwen van de overschrijving van het onroerend beslag ten laste van tiende geïntimeerde, advocaat van de schuldeisers, dient gelegd te worden.

In de concrete omstandigheden van de zaak had de advocaat geen (resultaats)verbintenis om zelf te zorgen voor de hernieuwing van de overschrijving van het onroerend beslag, dit is nadat de notaris overeenkomstig art. 1580 Ger.W. was aangesteld, omdat hij de notaris van zijn aanstelling op de hoogte had gesteld, hij bevestiging had gekregen dat de notaris de opdracht aanvaardde en hij hem alle stukken met het oog op de vervulling van zijn opdracht had bezorgd.

Van dit ogenblik af kon de advocaat erop rekenen dat de aangestelde notaris alles in het werk zou stellen om de openbare verkoop tot stand te laten komen en dus om alle nodige formaliteiten hiertoe te vervullen.

19. Na ontvangst van het bod van 28 augustus 2006 van de h. Dr. heeft de notaris de advocaat hiervan ingelicht. De schuldeisers (evenals de notaris) verwijten aan de advocaat dat hij hen niet zou hebben ingelicht over dit bod. De omstandigheid dat de advocaat het bod niet zou hebben besproken met zijn cliënten kan echter niet de oorzaak zijn van de mislukking van de openbare verkoop, nu er bijzonder weinig tijd overbleef om het akkoord van alle personen te verkrijgen, inclusief van de beslagene, Roza H., voordat de overschrijving van het onroerend beslag zou vervallen, dit is op 4 september 2006.

Ook al hadden de consorten S. het bod van de heer Dr. onderzocht en aanvaard, dan nog was het akkoord van Roza H. weinig waarschijnlijk, omdat zij duidelijk de voorkeur gaf aan een verkoop uit de hand via een andere notaris, zonder een deel van de koopprijs te moeten afstaan, wat door de feiten bevestigd werd.

Tiende geïntimeerde had bovendien de heer Dr. doorverwezen naar de notaris om het goed uit de hand te verkopen, wat kennelijk niet is gelukt. Bij akte van 6 oktober 2006 verleden voor notaris C. heeft Roza H. het onroerend goed verkocht.

De omstandigheid dat de notaris niet op het bod is ingegaan, maakt in de gegeven context geen (bijkomende) fout van hem uit, gelet op de gerechtelijke opdracht van de notaris belast met de openbare verkoop. Deze laatste had de schuldeisers via hun raadsman bij brief van 31 augustus 2006 laten weten dat hij de procedure zou verderzetten, tenzij Roza H. tot betaling zou overgaan, en hij kreeg hierop geen reactie van de consorten S. om te opteren voor een verkoop uit de hand. Zoals hierboven uiteengezet, staat het niet vast dat een verkoop uit de hand nog tijdig gesloten kon worden.

Het incidenteel beroep van de consorten S. tegen negende en tiende geïntimeerden en hun verwijten aan het adres van de notaris i.v.m. de reactie op het bod van de heer Dr. zijn ongegrond bij gebrek aan bewijs van enige fout of nalatigheid van de advocaat of van de aangestelde notaris.

20. Ten onrechte willen consorten S. aan advocaat S. verwijten dat hij, in het kader van de procedure ten gronde, niet is overgegaan tot jaarlijkse gerechtelijke aanmaningen tot kapitalisatie in de zin van art. 1154 BW.

Negende en tiende geïntimeerden werpen terecht op dat het niet automatisch tot de taak van de advocaat behoort om in alle dossiers de kapitalisatie van de interesten jaarlijks aan te vragen en om te zorgen voor de nodige gerechtelijke aanmaningen tot kapitalisatie. Er wordt geen fout van de advocaat aangetoond.

Nu de openbare verkoop ingevolge de niet-tijdige hernieuwing van de overschrijving van het onroerende beslag niet is kunnen doorgaan en de consorten S. er niet in slaagden hun titel tegen Roza H. uit te voeren, kan het uitblijven van kapitalisatie ten overvloede geen enkele (hogere) schade hebben veroorzaakt.

21. De situatie van eerste geïntimeerde, Katherina S., verdient een afzonderlijk onderzoek, omdat deze partij op haar uitdrukkelijke vraag bij advocaat S. (op 3 mei 2002) niet betrokken was noch bij de betekening van het arrest van 2 mei 2006, noch bij de aanstelling van notaris D.

Eerste geïntimeerde beschikte wel over een gerechtelijke titel ter vaststelling van haar schuldvordering jegens Roza H., ook al was het arrest van 2 mei 2006 (nog) niet in haar naam betekend.

Aangezien eerste geïntimeerde geen partij was bij de gedwongen uitvoering op het onroerend goed van Roza H., restte haar slechts de mogelijkheid om conform art. 1642 Ger.W. verzet te doen tegen de prijs. Zij kon immers net als alle schuldeisers die een uitvoerbare titel bezitten, verzet doen tegen de prijs “tot aan het verstrijken van de termijn voor het opmaken van het proces-verbaal van verdeling of van rangregeling” van de notaris (art. 1642 Ger.W.). Dit stemt overigens overeen met het terechte advies van notaris D. aan de advocaat nadat eerste geïntimeerde beslist had op haar standpunt terug te komen en toch tot uitvoering over te gaan.

Eerste geïntimeerde kan geen fout verwijten, noch aan de aangestelde notaris noch aan de advocaat die niet meer in haar naam optrad, wegens het niet-tijdig hernieuwen van de overschrijving van het onroerend beslag. Zij was immers vreemd aan de te hernieuwen overschrijving van 4 september 2003 en aan heel het onroerend beslag.

Ten aanzien van eerste geïntimeerde had de aangestelde notaris kennelijk geen bijzondere verplichting en zeker niet i.v.m. de hernieuwing van de overschrijving van het onroerend beslag namens de andere consorten S.

Appellanten voeren terecht aan dat het bijzondere verwijt van eerste geïntimeerde aan het adres van de notaris die afgeraden zou hebben een individuele uitvoering namens haar te benaarstigen ongegrond is, omdat eerste appellante niet aantoont dat de notaris ongenuanceerd een dergelijke stelling zou hebben aangenomen.

Eerste geïntimeerde heeft finaal op 4 augustus 2006 advocaat S. verzocht om toch ook in haar naam op te treden en om haar uitvoerbare titel te laten uitvoeren. De advocaat had gewaarschuwd dat hij haar belangen slechts zou behartigen na volledige betaling van zijn staat van ereloon en kosten, wat hem niet verweten kan worden. Eerste geïntimeerde heeft slechts op 6 september 2006 het saldo van de ereloonstaat betaald en zij kan bijgevolg evenmin de advocaat ten grieve dulden de hernieuwing van de overschrijving van het onroerend beslag van 4 september 2003 niet (tijdig) te hebben aangevraagd.

Katherina S. beklaagt zich eveneens ten onrechte over het feit dat advocaat S. het arrest niet onmiddellijk in haar naam aan Roza H. heeft laten betekenen. Het uitblijven van betekening is te dezen zonder enig gevolg en heeft geen enkele schade aan haar kunnen berokkenen, omdat er nog ruime tijd overbleef om verzet te doen tegen de prijs.

Eerste geïntimeerde blijft in gebreke om aan te tonen dat de advocaat eveneens afzonderlijk uitvoerend beslag diende te leggen in haar naam en dat hij alleen al over de materiële tijd beschikte om dit vóór 6 oktober 2006 (datum van de verkoop aan de consorten Dr. en H.) te doen, gelet op de wettelijke termijnen en te vervullen formaliteiten. De praktische mogelijkheid om op tijd bewarend beslag te leggen op het onroerend goed bestond niet. Een fout of nalatigheid van de advocaat wordt bijgevolg niet bewezen.

Uit het bovenstaande leidt het hof af dat de eerste rechter de oorspronkelijke vordering van Katherina S. ten onrechte gegrond verklaarde en dat op dit punt het hoger beroep van appellanten gegrond voorkomt. Het incidenteel beroep van Katherina S. is ongegrond.

...

23. Appellanten betwisten de schade in de mate dat de schuldeisers zouden hebben nagelaten hun eigen schade te beperken. Het wordt echter niet aangetoond, noch aannemelijk gemaakt, dat de geïntimeerden werkelijk de mogelijkheid hadden om met succes beslag te leggen op de koopsom voor de uitbetaling ervan aan Roza H.

Appellanten blijven in gebreke te bewijzen dat de omstandigheid dat geïntimeerden te dezen geen klacht hebben neergelegd tegen Roza H. om bedrieglijk haar onvermogen te hebben georganiseerd, een schuldige tekortkoming aan hun schadebeperkingsplicht uitmaakt.

Evenmin kan de omstandigheid dat geïntimeerden niet tot uitvoering zijn overgegaan op het appartement te Blankenberge, waarvan Roza H. enkel vruchtgebruikster was, een schuldige tekortkoming aan hun schadebeperkingsplicht uitmaken, gelet op de hoge kosten van deze uitvoering en de zeer beperkte resultaten die zij redelijk uit deze uitvoering konden verwachten.

24. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zover de eerste rechter heeft geoordeeld dat de openbare verkoop in alle redelijkheid een netto-opbrengst zou hebben opgeleverd van 315.000 euro. Het hof verwijst naar de oordeelkundige motieven in het bestreden vonnis.

Het wordt alleszins niet aangetoond dat het onroerend goed in het kader van een openbare verkoop tegen de prijs van “ten minste 440.000 euro” verkocht had kunnen worden. Noch het bestaan van het bod van de heer Dr., noch de prijs die hij in het kader van de verkoop uit de hand bij akte van 6 oktober 2006 betaalde, levert het bewijs van deze stelling.

Het incidenteel beroep van de consorten S. is op dit punt ongegrond.

25. De eerste rechter besloot:

“Aangezien de schuldvorderingen van eisers tegen Roza H. alle hoger waren dan 1/6 van (315.000 euro) en aangezien geen van de eisers aanspraak maken op enig voorrecht, worden deze vorderingen van eisers toegestaan, telkens ten belope van 315.000 euro: 6 = 52.500 euro.”

Het vonnis van 3 maart 2000, bevestigd bij het arrest van 2 mei 2006, kende 1.665.714 fr. aan Oswalda S., Rufin S., Katherine S., Brigitte S. en Nicolas S. elk toe en 1.300.000 fr. aan Daniëlla S., telkens te verhogen met de interesten aan de wettelijke interestvoet en gekapitaliseerd. Op datum van de voorziene openbare verkoop bedroegen de schuldvorderingen van de consorten S. in hoofdsom, interesten en kosten dan ook inderdaad meer dan 52.500 euro per persoon, zodat het bestreden vonnis op dit punt bevestigd wordt. Er is geen reden om dit bedrag te verminderen op basis van de leer van het verlies van een kans.

26. De afwijzing van de vordering in zover ingesteld door Katherina S. heeft niet tot gevolg dat de overige consorten S. recht hebben op een vijfde en niet een zesde (in hoofdsom) van de 315.000 euro. Zoals hierboven uiteengezet (randnr. 21), had de advocaat immers in samenspraak met de notaris gepland om, onmiddellijk na de openbare verkoop, met toepassing van art. 1642 Ger.W. in naam van Katherina S. verzet te doen tegen de prijs, in welk geval Katherina S. ook recht op haar aandeel in de prijs zou hebben gekregen.

27. De eerste rechter kende de interesten aan de wettelijke interestvoet toe vanaf 4 september 2006, datum waarop de schade is ontstaan. De vordering van de consorten S. tot kapitalisatie werd terecht afgewezen, omdat zij geen uitvoering vorderen van een verbintenis tot betaling van een geldsom en omdat zij niet bewijzen dat hun schade niet integraal vergoed wordt door betaling van de toegekende hoofdsom, vermeerderd met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet. Om dezelfde reden wordt de kapitalisatie in hoger beroep ongegrond verklaard.

28. De vordering in gemeenverklaring wordt gegrond verklaard. Appellanten geven in de beschreven context blijk van een rechtmatig belang om het arrest gemeen te laten verklaren aan de vorige beslagene en aan de kopers van het onroerend goed, voorwerp van het uitvoerend beslag.

...

 

Nog dit: 

Voor verzoeken tot hernieuwing van beslag kan u zich tot ons wenden elfri@elfri.be

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 07/05/2017 - 11:59
Laatst aangepast op: zo, 07/05/2017 - 11:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.