-A +A

Aanhangigheid identieke vorderingen voor verschillende rechtbanken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Aanhangigheid in de zin van art. 29 Ger.W. bestaat slechts indien de twee betrokken rechtbanken waarbij de identieke vorderingen aanhangig zijn, aangesproken worden om in eerste aanleg uitspraak te doen.

Wanneer identieke vorderingen beide hangende zijn in hoger beroep, kan dan ook alleszins geen toepassing worden gemaakt van de verwijzingsregels inzake aanhangigheid van art. 565 Ger.W.

Wanneer de vorderingen van partijen gesteld in de procedures die beide in beroep worden gevoerd, op verschillende punten zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht en er gevaar is op tegenstrijdige beslissingen, is er sprake van samenhang in de zin van art. 30 Ger.W., zodat toepassing dient te worden gemaakt van de verwijzingsregels vermeld in art. 566 Ger.W.

Voor samenhang is, in tegenstelling tot voor aanhangigheid, niet vereist dat de twee betrokken rechtbanken in eerste aanleg worden aangesproken, maar het moet wel gaan om vorderingen hangende voor rechtscolleges van dezelfde rang (Cass. 11 februari 2000, RW 2000-01, 1131; Cass. 1 april 2010, P&B 2011, 179).
 

Rechtspraak:

Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen, afdeling Turnhout, 3e Kamer – 2 juni 2014, RW 2015-2016, 384, met noot Pierre Thiriar, Zelfs de samenhang kent zijn grenzen

M.L. t/ V.D.

I. Feiten en antecedenten in de procedure

1. Uit de relatie van partijen werden drie kinderen geboren, (...).

Partijen beëindigden de relatie in 2005.

Bij vonnis van de Jeugdrechter te Turnhout van 3 mei 2006 werd het ouderlijk gezag over de kinderen aan beide ouders gezamenlijk toevertrouwd met inschrijving en hoofdverblijf op het adres van de moeder. Een secundair verblijf bij de vader werd bepaald telkens van dinsdagnamiddag tot woensdagmorgen en één weekend om de veertien dagen van vrijdagnamiddag tot zondagavond. Er werd tevens een vakantieregeling bepaald voor de zomervakantie, de kerst- en de paasvakantie, de herfst- en krokusvakantie, met telkens een gelijkmatig verdeeld verblijf. De kinderen dienden telkens door de vader te worden opgehaald en door de moeder terug afgehaald.

De vader werd veroordeeld tot betaling van een onderhoudsbijdrage van 175 euro per maand en per kind vanaf maart 2006, buiten en boven de kinderbijslag. Tevens werd gezegd voor recht dat de vader gehouden is tot betaling van de helft van de buitengewone medische kosten en de helft van de kosten verbonden aan de handicap van T., zoals kinesist, beugels en steunzolen.

Bij vonnis van de Jeugdrechtbank te Turnhout van 6 juli 2007 werd aan partijen akte verleend van hun akkoord betreffende de wijziging van de omgangsregeling waarbij de kinderen bij de vader zouden verblijven:

– één weekend om de veertien dagen van vrijdag na school tot maandagochtend bij de aanvang van de school;

– de daaropvolgende week van donderdag na school tot vrijdagochtend bij de aanvang van de school;

– de week volgend op het weekend bij moeder van dinsdagavond na school tot woensdagochtend bij de aanvang van de school.

2. Op 2 mei 2012 werd het inleidende verzoekschrift namens appellante neergelegd ter griffie van het Vredegerecht te Herentals. Appellante vorderde voor de eerste rechter:

– te zeggen voor recht dat de onderhoudsbijdrage voor de minderjarige kinderen (...) wordt verhoogd tot 250 euro per maand per kind, te indexeren, vanaf 6 juli 2007, draagbaar ten huize van appellante en betaalbaar telkens op elke eerste van de maand;

– te zeggen voor recht dat geïntimeerde gehouden is tot betaling van de helft van de door appellante voorgeschoten verblijfsoverstijgende kosten met een buitengewoon karakter van de kinderen zoals nader omschreven;

– haar te machtigen om, bij gebrek aan tijdige betaling, de verschuldigde bedragen in ontvangst te nemen bij iedere werkgever en/of schuldenaar van geïntimeerde;

...

Geïntimeerde besloot voor de eerste rechter tot de ongegrondheid van de vordering van appellante (...). Hij stelde tevens een tegeneis die ertoe strekte appellante met toepassing van art. 877 Ger.W. te veroordelen tot het voorleggen van stukken betreffende haar inkomen uit haar beroep als tandarts, de kinderbijslag en de verhoogde terugbetaling door de ziekenkas.

In het bestreden vonnis wees de eerste rechter de hoofdeis af als ongegrond en verklaarde de tegeneis zonder voorwerp.

3. Bij verzoekschrift, neergelegd op 24 juli 2013, stelde appellante hoger beroep in tegen het bestreden vonnis. Thans vordert zij om:

– alvorens recht te doen, geïntimeerde te veroordelen tot het voorleggen van stukken betreffende zijn inkomen en dat van de vennootschappen waarin hij betrokken is en een boekhouder-deskundige aan te stellen teneinde een advies te verkrijgen betreffende het reële inkomen van geïntimeerde;

– haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te vernietigen;

– te zeggen voor recht dat de onderhoudsbijdrage voor de minderjarige kinderen (...) wordt verhoogd tot 250 euro per maand per kind, te indexeren, vanaf 6 juli 2007, draagbaar ten huize van appellante en betaalbaar telkens op elke eerste van de maand;

– te zeggen voor recht dat geïntimeerde gehouden is tot betaling van de helft van de door appellante voorgeschoten verblijfsoverstijgende kosten met een buitengewoon karakter van de kinderen zoals nader omschreven;

– haar te machtigen om, bij gebrek aan tijdige betaling, de verschuldigde bedragen in ontvangst te nemen bij iedere werkgever en/of schuldenaar van geïntimeerde;

...

Geïntimeerde vraagt thans:

– het eerste vonnis te bevestigen en het hoger beroep af te wijzen als ongegrond, minstens te zeggen voor recht dat de zaak niet in staat van wijzen is en de zaak naar de rol te verzenden;

– subsidiair, appellante met toepassing van art. 877 Ger.W. te veroordelen tot het voorleggen van stukken betreffende haar inkomen uit haar beroep als tandarts en dat van haar vennootschap alsook wat betreft de kinderbijslag;

...

4. Op 31 december 2012 legde geïntimeerde een verzoekschrift neer voor de Jeugdrechtbank te Turnhout. Zijn vordering in het kader van deze procedure strekte er onder meer toe te zeggen voor recht dat:

– V.P. en K. afwisselend een week bij elk van de ouders zullen verblijven met wissel op maandag na school, of zo er geen school is om 16 u, waarbij de ouder waar de kinderen zullen verblijven de kinderen zal afhalen aan school;

– V.T. bij de vader zal verblijven, om de veertien dagen van zaterdag 10 u tot zondag 18 u, tijdens de weekends dat P. en K. eveneens bij de vader verblijven, waarbij T. wordt gebracht door de moeder en teruggebracht door de vader;

– de regeling voor T. blijft doorlopen, met uitzondering van de maand juli waarin T. bij de vader zal verblijven als volgt:

• de pare jaren: van 15 juli om 18 u tot 31 juli om 18 u;

• de onpare jaren: van 30 juni om 18 u tot 15 juli om 18 u;

– P. en K. per 1 september 2013 niet langer school lopen aan de Europese school te Mol, maar in een school op de middenweg tussen partijen zullen worden ingeschreven, in gezamenlijk overleg tussen beide ouders;

– iedere ouder zal instaan voor de verblijfsgebonden kosten voor P. en K. voor de periode dat ze bij hem of haar verblijven;

– de sociale voordelen, waaronder de kinderbijslag evenals het fiscaal voordeel voor P. en K. aan iedere ouder bij helften wordt toegekend;

– de sociale voordelen, waaronder de kinderbijslag voor T. aan de moeder toekomt;

– iedere ouder gehouden is tot de helft van de buitengewone uitgaven zoals omschreven in conclusie;

– wat betreft het ouderlijk gezag, de inschrijving van de kinderen, de onderhoudsbijdrage voor T. en de kinderbijslag voor T. en de vakantieregeling voor P. en K., het vonnis van de Jeugdrechtbank van 3 mei 2006 van toepassing blijft.

Appellante vorderde in het kader van deze procedure te zeggen voor recht dat:

– de onderhoudsbijdrage voor T., P. en K. wordt verhoogd tot 250 euro per maand en per kind vanaf 6 juli 2007;

– de vader gehouden is tot betaling van de helft van de door de moeder voorgeschoten verblijfsoverstijgende kosten met een buitengewoon karakter van de kinderen zoals nader omschreven, met toekenning van een ontvangstmachtiging aan de moeder.

Bij vonnis van de Jeugdrechtbank te Turnhout van 2 oktober 2013 werden hoofd- en tegeneis ontvankelijk en reeds deels gegrond verklaard. Wat het verblijf van de kinderen betreft, zegde de Jeugdrechter voor recht dat:

– V.T. bij de vader zal verblijven, om de veertien dagen van zaterdag 10 u tot zondag 18 u tijdens de weekends dat P. en K. eveneens bij de vader verblijven, waarbij T. wordt gebracht door de moeder en teruggebracht door de vader, en deze regeling zal doorlopen tijdens de schoolvakanties, behalve de zomervakantie, waarvoor de regeling zoals bepaald bij vonnis van de Jeugdrechtbank van 3 mei 2006 onverkort van toepassing blijft;

– voor het overige de bepalingen van bovenvermelde vonnissen van 3 mei 2006 en 6 juli 2007 onverkort van toepassing blijven.

Alvorens verder ten gronde te beslissen over de onderhoudsbijdrage en de bijdrage in de buitengewone kosten beval de Jeugdrechter de heropening van het debat om beide partijen in staat te stellen aanslagbiljetten te voegen en om appellante in staat te stellen een bewijs van de ontvangen kinderbijslag bij te brengen.

Op 16 oktober 2013 legde geïntimeerde een verzoekschrift tot hoger beroep neer ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak werd vastgesteld voor pleidooien op de zitting van de Jeugdkamer in hoger beroep op de zitting van 28 april 2014. Bij de behandeling van de zaak voor deze rechtbank op 5 mei 2014 was er nog geen arrest uitgesproken.

II. In rechte

Geïntimeerde voert in eerste instantie aan dat appellante voor de Jeugdrechtbank te Turnhout alsook thans voor het Hof van Beroep te Antwerpen identiek dezelfde vordering stelde als de vordering die zij thans in het kader van huidige procedure stelt. Hij wijst erop dat dit het gevaar oplevert dat twee instanties in hoger beroep tegenstrijdige beslissingen ter zake zouden nemen.

Appellante bevestigt in haar conclusies dat zij haar vordering betreffende de bijdrage in het onderhoud van de kinderen ook voor de Jeugdkamer in hoger beroep heeft gesteld wegens de devolutieve werking van het hoger beroep. Aangezien tot op heden nog geen definitieve beslissing is geveld wat dit aspect van haar vordering betreft, is appellante van oordeel dat deze rechtbank bevoegd blijft om hierover uitspraak te doen, minstens tot op de datum van neerlegging van het inleidende verzoekschrift voor de Jeugdrechtbank te Turnhout op 31 december 2013.

Het wordt niet betwist dat het geschil dat het voorwerp van huidige procedure is, op basis van art. 591, 7o Ger.W. behoort tot de bijzondere bevoegdheid van de vrederechter en dat de rechtbank overeenkomstig art. 577, eerste lid Ger.W. bevoegd is om van het hoger beroep tegen het bestreden vonnis van de vrederechter kennis te nemen.

De rechtbank stelt echter vast dat de hoofdvordering van appellante in het kader van huidige procedure identiek is aan de tegenvordering van appellante in het kader van de procedure hangende voor het Hof van Beroep te Antwerpen. In beide procedures vordert appellante een retroactieve wijziging van de regeling inzake de bijdrage in het levensonderhoud en de opvoeding van de kinderen vanaf 6 juli 2007. Naast voormelde identieke vorderingen van appellante blijkt ook de vordering van geïntimeerde in het kader van de procedure voor de jeugdrechtbank, thans hangende voor de Jeugdkamer in hoger beroep, evenzeer betrekking te hebben op de bijdrage van beide ouders in de kosten van levensonderhoud en opvoeding van de kinderen.

Aanhangigheid in de zin van art. 29 Ger.W. bestaat slechts indien de twee betrokken rechtbanken waarbij de identieke vorderingen aanhangig zijn, aangesproken worden om in eerste uitspraak te doen. Aangezien de identieke vorderingen van appellante beide hangende zijn in hoger beroep, kan dan ook alleszins geen toepassing worden gemaakt van de verwijzingsregels inzake aanhangigheid van art. 565 Ger.W.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank evenwel van oordeel dat de vorderingen van partijen gesteld in de beide procedures op verschillende punten zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. Geïntimeerde wijst terecht op het gevaar op tegenstrijdige beslissingen. Er is dus minstens sprake van samenhang in de zin van art. 30 Ger.W., zodat toepassing dient te worden gemaakt van de verwijzingsregels vermeld in art. 566 Ger.W. Voor samenhang is, in tegenstelling tot voor aanhangigheid, niet vereist dat de twee betrokken rechtbanken in eerste aanleg worden aangesproken, maar het moet wel gaan om vorderingen hangende voor rechtscolleges van dezelfde rang (Cass. 11 februari 2000, RW 2000-01, 1131; Cass. 1 april 2010, P&B 2011, 179).

Art. 566 Ger.W. verwijst op zijn beurt naar de voorrangsregels van art. 565, tweede lid, 2o tot 5o Ger.W.

Deze voorrangsregels, die van openbare orde zijn (Cass. 11 mei 1979, Arr.Cass. 1978-79, 1084), bevatten geen specifieke bepalingen voor rechtscolleges in hoger beroep. Bij gebrek aan andersluidende regeling neemt de rechtbank aan dat bij de beoordeling van de voorrang in hoger beroep logischerwijze gekeken dient te worden naar het rechtscollege in eerste aanleg van welke beslissing het rechtscollege in hoger beroep kennisneemt.

Art. 565, tweede lid, 2° Ger.W. bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg voorrang heeft boven de andere rechtbanken. De jeugdrechtbank, waarvan de beslissing het voorwerp uitmaakt van de hangende procedure in hoger beroep voor de Jeugdkamer van het Hof van Beroep te Antwerpen, maakt deel uit van de rechtbank van eerste aanleg en heeft voorrang op de vrederechter, van wie de beslissing het voorwerp uitmaakt van de hangende beroepsprocedure voor deze rechtbank.

Wegens de samenhang dient de rechtbank de zaak dan ook op basis van art. 566 en 565, tweede lid, 2o Ger.W. te verwijzen naar het Hof van Beroep te Antwerpen.

NOOT – Zelfs de samenhang kent zijn grenzen

 

Nog dit: 

over cumul van vorderingen, samenhang en de aanwijzing van de bevoegde rechter: klik hier met paswoord RW

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 05/11/2015 - 14:22
Laatst aangepast op: do, 05/11/2015 - 14:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.