-A +A

aangetekende opzegging van het consumentenkrediet en art. 29 WCK

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Opgelet vanaf 1 december 2016 zijn de nieuwe bepalingen op het consumentenkrediet van toepassing zoals opgenomen onder 
Titel IV WER (Wetboek Economisch Recht)
voor deze nieuwe wetgeving
 klik hier

De opzegging van een consumentenkrediet dient te gebeuren middels een aangetekend schrijven dat voldoet aan de voorwaarden van art. 29 WCK. Bij gebreke aan aangetekend schrijven is het krediet niet rechtsgeldig opgezegd.

Rechtspraak

Vred. Oudenaarde
21 november 2002.
Rechter: Ch. VAN DE PUTTE.
Advocaten: MMrs D. PUTZEYS, E. DE NEVE
en A. HEERMAN.
 

Samenvatting

Wanneer de kredietgever niet het formeel bewijs levert dat de consument in gebreke werd gesteld door middel van een ter post aangetekende brief, zoals vereist door artikel 29 en 36 van de W.C.K is het krediet rechtens niet opeisbaar.

Tekst vonnis

Op niet bepaalbare datum bij gebrek aan datum op het leningsformulier stond de de toenmalige NV PSA Crédit Belgium aan Sabina R. een lening op afbetaling toe van 400.001 BEF thans 9.915,77 EUR + 88.759 BEF kosten, thans 2.200,28 EUR die in 60 mensualiteiten van 8.196 BEF thans 203,17 EUR diende terugbetaald te worden telkens tegen de 25ste van de maand met ingang van 25 mei 1997.

De lening had betrekking op de aankoop van een voertuig Peugeot 306 Privilège. Dino C. stelde zich borg. Op zelfde datum werd (klaarblijkelijk)
bij zelfde akte een loonoverdracht ondertekend door Sabine R. en Dino C. en
werd eveneens een PSA Crédit Protection aangegaan.

Wat dit laatste betreft, werd de rubriek “JA” ingevuld doch volgen geen handtekeningen en wordt het bedrag van de verzekeringspremie evenmin ingevuld. Blijkens stukken overgelegd door de eerste verwerende partij die weliswaar niet door de eisende partij worden overgelegd zou Sabina R. bij aangetekende brief van 11 juli 2000 in kennis zijn gesteld dat ingevolge de niet-naleving van de verplichtingen de kredietmaatschappij het voornemen heeft loonafstand te betekenen:

Een bewijs van aangetekende zending wordt niet overgelegd. Ook uit de stukken van de eerste verwerende partij blijkt dat deze op 27 juli 2000
eraan herinnerd werd dat hij zich borg heeft gesteld voor Sabina R. in het kader
van een contract van verkoop op afbetaling.

Bij zelfde brief werd hem medegedeeld dat de leningsovereenkomst een achterstand vertoonde hetzij van 2 vervaldagen hetzij van 20 % van het totaal
terug te betalen bedrag waarvoor hij in gebreke werd gesteld.
In zelfde brief wordt gesteld dat, na het verstrijken van de wettelijke termijn
van één maand, de verbreking van het contract evenals van de bijhorende verzekerings-en/of bijstandspolis volgt wat de onmiddellijke en volledige opeisbaarheid van het nog verschuldigde saldo voor gevolg heeft vermeerderd met verwijlinterest en forfaitaire schadevergoeding.

Voorzover deze brief zou moeten worden beschouwd als een brief overeenkomstig artikel 29 W.C.K. blijkt uit niets dat deze brief aangetekend zou zijn verzonden:

niet alleen wordt op de brief geen melding gemaakt van aangetekende
zending doch wordt evenmin een bewijs van aangetekende zending door de
eisende partij overgelegd. Van enige ingebrekestelling verstuurd aan de tweede verwerende partij overeenkomstig artikel 29 W.C.K. is geen spoor te vinden.
Enkel legt de eisende partij als stuk 8 een lijst der aangetekende stukken neer afgegeven ter post op 27 september 2000 waaruit blijkt dat op die datum een aangetekende brief werd verzonden naar Sabina R.

Gelet op de datum van de afgifte kan dit bezwaarlijk betrekking hebben op een
brief die aangetekend zou zijn verstuurd 2 maand tevoren. Alleszins ligt geen enkel stuk voor van een brief van 25 september 2000 die aangetekend
zou zijn verzonden op 27 september 2000.

De eerste eisende partij had dit al opgeworpen in conclusies neergelegd ter griffie op 10 mei 2000 en had zich het recht voorbehouden om na ontvangst van bewijsstukken (aangetekende brieven inhoudende ingebrekestelling ten aanzien van de hoofdlener volgens artikel 29 W.C.K. en de verplichte meldingen ten aanzien van de borg ingevolge artikel 34 W.C.K.) te concluderen nu het bewijs niet werd geleverd dat het krediet geldig werd opeisbaar gesteld.
De rechtbank kan alleen maar vaststellen dat zij niet over een formeel bewijs beschikt dat de eisende partij voldaan heeft aan de imperatieve bepalingen van artikel 29 W.C.K. en 34 W.C.K. zodat het bewijs niet geleverd is dat het krediet
rechtsgeldig werd opgezegd.

[...].

Rechtsleer:

zie ook NJW 135 1/02/2006 p. 50

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:17
Laatst aangepast op: za, 28/05/2016 - 13:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.