-A +A

Bewijs in strafzaken op basis van vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen geen miskenning vermoeden onschuld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 31/10/2008
A.R.: 
P060927N

Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren; hij mag hierbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven (1) (2). Cass., 3 jan. 1977, A.C., 1977, 472; Cass., 26 maart 1991, AR 4384, nr 400. (2) R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nrs 1526 en 1527.

De omstandigheid dat de rechter, in een fiscale strafzaak, vermoedens van feitelijke aard put uit het verslag van de gerechtsdeskundige die een tekort aan aangegeven inkomsten afleidt uit een vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen zoals dat in het fiscaal recht bestaat, is geen miskenning van het vermoeden van onschuld van de beklaagde.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.06.0927.N
H G J M L,
beklaagde,
eiser,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen, gewestelijke directie Antwerpen, juridische cel, district B, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 9,
burgerlijke partij,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen, correctionele kamer, van 17 mei 2006.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Een eventuele tegenstrijdigheid tussen een tussenarrest en een eindarrest houdt geen schending in van artikel 149 Grondwet, noch van de artikelen 6.2 EVRM, 14.2 IVBPR en 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

2. Voor het overige is het onderdeel in zoverre het opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechters of van het Hof zelf een beoordeling vraagt waarvoor het niet bevoegd is, niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

3. Wanneer de wet, zoals hier, geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Hij mag hierbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven.

4. De omstandigheid dat de rechter, in een fiscale strafzaak, vermoedens van feitelijke aard put uit het verslag van de gerechtsdeskundige die een tekort aan aangegeven inkomsten afleidt uit een vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen zoals dat in het fiscaal recht bestaat, is geen miskenning van het vermoeden van onschuld van de beklaagde.

Het onderdeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

5. Het onderdeel stelt dat het bestreden arrest uit het verslag van de gerechtsdeskundige niet het bewijs van eisers schuld kon afleiden en derhalve de bewijskracht daarvan miskent.

Het onderdeel verwart in zoverre bewijskracht en bewijswaarde.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Begroot de kosten op 135,50 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,  en op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2006 

Noot: 

Van Volsem, F., « Het bewijs in strafzaken door feitelijke vermoedens », R.A.B.G., 2017/1, p. 32-39

Rechtsleer:

• R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, nr. 2032, p. 867.

• P. Henry, “De l'intime conviction” in Les droits de la défense en matière pénale, Luik, Éditions du Jeune Barreau.

• R. Declercq, Het bewijs in strafzaken, Brussel, Swinnen, 1980, p. 11, nr. 2;

• J. de Codt, “Preuve pénale des infractions”, RPDC 2009, 636;

• D. Holsters, “Over 'in de vlucht' gedane 'vaststellingen' inzake verkeer” in Liber Amicorum Marc Châtel, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1991, 303, nr. 18.

• P. Traest, Het bewijs in strafzaken, Gent, Mys & Breesch, 1992, nr. 315, p. 175 en nr. 794, p. 407.

• M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 1158

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 03/01/2018 - 11:42
Laatst aangepast op: wo, 03/01/2018 - 11:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.