-A +A

Algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt onrechtmatig verkregen bewijs in aanmerking te nemen bestaat niet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

In strafzaken zoeken sommige advocaten hun heil in alle mogelijke proceduremiddelen. Deze procedureslag heeft vaak het bewijs tot voorwerp. Sommige advocaten trachten in een strafprocedure aan te tonen dat bepaald bewijsmateriaal op onregelmatige wijze werd verzameld. Het gebeurt meermaals dat in een strafonderzoek bepaalde regels van het strafprocesrecht worden geschonden.

De schending van deze procedureregel is één zaak, maar de vraag stelt zich onmiddellijk wat de gevolgen zijn van deze schending. In een strafzaak mag men niet vergeten dat hoe dan ook de strafrechter oordeelt op grond van zijn innerlijke overtuiging. Men moet aldus beseffen dat de rechter die op een bepaald ogenblik kennis heeft gekregen van een onregelmatig bewijsmiddel hoe dan ook beïnvloed wordt in deze innerlijke overtuiging.

Het hof van cassatie heeft in een arrest van 16/11/2004 in één pennentrek gesteld dat zelfs een onrechtmatig verworven bewijs niet altijd ontoelaatbaar moet zijn.

Het hof van cassatie stelt zeer duidelijk dat uit het recht op een eerlijk proces niet kan afgeleid worden dat men een recht heeft op een proces waarbij er enkel rekening wordt gehouden met rechtmatig verkregen bewijsmiddelen.

Nergens staat dit ingeschreven in het verdragen van de rechten van de mens.

Het hof van cassatie vervolgt dat ook nergens in de Belgische wet staat dat de rechter geen rekening zou mogen houden met onrechtmatig verworven bewijs.

Eigenlijk geeft het hof een stille hint : laat uw advocaat de pijlen niet verschieten op een agressief pleidooi dat louter gericht is op regelmatige bewijsvoering. De rechter heeft toch het recht zelfs met een onregelmatig verworven bewijs rekening te houden.

In de praktijk wordt vaak vastgesteld dat procedure pleiten in strafzaken in uitzonderlijke gevallen tot uitzonderlijk resultaten kan leiden maar in het merendeel van de gevallen niets uithaalt, behoudens dat men de rechters en het parket in het harnas krijgt en een verkeerd accent in de verdediging aldus zou kunnen resulteren in een gebrek aan aandacht voor de werkelijke omstandigheden van de zaak die konden leiden tot een mildere bestraffing of gans andere uitspraak.

Maar dit alles neemt niet weg dat de goede en de betere advocaat het procesrecht kent en ook gebruikt in het belang van zijn cliënt waarbij telkenmale dient afgewogen te worden welk resultaat men kan bereiken met een ingeroepen proceduremiddel.

Zowel de beklaagde als de burgerlijke partij hebben in de fase van het onderzoek heel wat rechten. Deze rechten kunnen zij evenwel slechts uitoefenen middels strikt te volgen procedure. Eveneens de rechtsmiddelen, de verbeurdverklaringen, de voorlopige hechtenis en de uitvoering van de straf zijn onderworpen aan strikte procedureregels waarbij de bijstand van een goede advocaat aangewezen blijft.


Hof van Cassatie, 2e Kamer – 14 januari 2014, RW 2014-2015, 703

Samenvatting

Er bestaat geen rechtsbeginsel dat de rechter nooit onrechtmatig verkregen bewijs in aanmerking mag nemen.

Tekst arrest

AR nr. P.13.1415.N

BVBA A.L.D. t/ E.T. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 juni 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van art. 131, § 1 en art. 235bis, § 6 Sv.: spijts de partiële nietigverklaring van de opdracht van de onderzoeksrechter aan de deskundige en van het deskundigenverslag zelf, gaat het arrest ten onrechte niet in op het verzoek van de eiseres om de navolgende dossierstukken die door de vastgestelde onregelmatigheid zijn aangetast, eveneens nietig te verklaren, waaronder de vorderingen in hoger beroep van het openbaar ministerie en de conclusies van de eiseres waarin de nietig verklaarde passages van de opdracht en het deskundigenverslag zijn opgenomen; art. 235bis, § 6 Sv. bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt als bedoeld in art. 131, § 1 Sv. of een grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, als daartoe grond bestaat de nietigheid uitspreekt van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging en dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie; de verwijzing naar “een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging” impliceert dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet alleen de nietigheid uitspreekt van de concrete handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging waarop de onregelmatigheid, het verzuim of de nietigheid betrekking heeft, maar eveneens van de daaropvolgende rechtspleging waarvan wordt vastgesteld dat die noodzakelijk voortvloeit uit of onlosmakelijk verstrengeld is met de nietige handeling; dat is de wettelijke neerslag van het principe dat onrechtmatig verkregen bewijs noch rechtstreeks noch onrechtstreeks door de rechter in aanmerking mag worden genomen; art. 235bis, § 6 Sv. bepaalt niet dat de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet zou uitstrekken tot door partijen ter gelegenheid van de rechtspleging neergelegde processtukken, zoals de vordering van het openbaar ministerie en door partijen neergelegde conclusies, indien die noodzakelijk voortvloeien uit of onlosmakelijk verbonden zijn met de nietig verklaarde handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging; het arrest dat door overname van de redengeving van de vordering van de procureur-generaal oordeelt dat art. 235bis, § 6 Sv. niet inhoudt dat de door de wet voorgeschreven stukken van de procedure tot zuivering van nietigheden en met name de vordering en de conclusies van het openbaar ministerie en de partijen eveneens uit het dossier dienen te worden verwijderd en neergelegd ter griffie en aldus deze stukken uit het toepassingsgebied van art. 235bis, § 6 Sv. sluit, beperkt op onwettige wijze zijn bevoegdheid.

2. Er bestaat geen rechtsbeginsel dat de rechter nooit onrechtmatig verkregen bewijs in aanmerking mag nemen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Art. 235bis, § 6, eerste zin Sv. bepaalt: “Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, of een grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering vaststelt, spreekt zij, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging”.

Art. 131, § 1 Sv. bepaalt: “De raadkamer spreekt, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling en een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt die een invloed heeft op:

1° een handeling van het onderzoek;

2° de bewijsverkrijging”.

4. De kamer van inbeschuldigingstelling die met toepassing van art. 235bis, § 6 Sv. uitspraak doet, kan een door een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid aangetaste handeling van het onderzoek of van bewijsverkrijging nietig verklaren, alsook de stukken die daar noodzakelijk uit voortvloeien en de verwijdering van al die stukken uit het dossier en de neerlegging ervan ter griffie bevelen.

De rechtsmacht die de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van die bepaling kan uitoefenen, strekt zich evenwel niet uit tot de vordering van het openbaar ministerie, de beslissingen van de onderzoeksgerechten of de conclusies van partijen, ook niet wanneer die stukken melding maken van gegevens uit de nietig verklaarde handelingen. Een goede rechtsbedeling vereist dat het openbaar ministerie in zijn vorderingen, de partijen in hun conclusies en het onderzoeksgerecht in zijn beslissing de stukken waarvan de nietigheid wordt gevorderd kunnen vermelden, citeren en bespreken, zonder dat de naderhand uit te spreken nietigheid van die stukken leidt tot de nietigheid van die vorderingen, conclusies en beslissingen. Anders oordelen zou de toepassing van art. 235bis, § 6 Sv. onmogelijk maken.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het arrest oordeelt dat:

– de eigen conclusies van de eiseres en de vorderingen van het openbaar ministerie in hoger beroep niet door de begane onregelmatigheid zijn aangetast, zodat zij niet uit het dossier dienen te worden geweerd;

– het gegeven dat in deze stukken de nietige passages worden aangehaald, er niet toe leidt dat deze stukken zelf zijn aangetast.

Aldus verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 30/12/2014 - 23:06
Laatst aangepast op: di, 30/12/2014 - 23:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.